Erwin Mortier

november 12, 2009

Van z’n Marcel was ik toch wel redelijk erg sterk onder de indruk. Ik zou dan eigenlijk wel héél graag en liefst meteen ook aan z’n bekroonde Godenslaap willen beginnen. Helaas: door z’n gebral, geraas & getier van de laatste jaren – vandaag in De Standaard té eufemistisch “talent voor polemiek” genoemd – heb ik zo’n dégout van het mannetje gekregen dat ik wellicht nooit meer iets zal lezen van hem. Van deze blaffende kip zonder kop geen eieren meer.

Allerzielen

november 2, 2009

Toevallig, toch. Vanmiddag, op Allerzielen, lees ik volgende wel heel erg toepasselijke passage in een boek dat ik al even toevallig heb meegenomen uit het rek van de teruggebrachte boeken in de bibliotheek:

Ik bevind me onder de doden en moet zachtjes spreken. Sommigen van die doden zijn werkelijk dood, anderen leven voort in mijn gebaren, in de vorm van mijn schedel, in de manier waarop ik een sigaret rook of met een vrouw naar bed ga. Het lijkt wel of ik in opdracht van hen bepaalde spijzen eet. Ze zijn met velen. Een mens voelt zich lang eenzaam tussen de mensen, maar op een dag komt hij in aanraking met zijn doden en bemerkt hij hun voortdurende tactvolle aanwezigheid. Ze maken niet veel leven, die doden. Ik ging pas op latere leeftijd met mijn moeders familie samenleven. Op een dag hoorde ik hun stemmen als ik sprak en zag ik hun gezichten als ik groette of het glas hief. De ‘persoonlijkheid’, het weinig nieuwe dat de mens aan zichzelf toevoegt, is verbluffend gering vergeleken met de erfenis die we van de doden ontvangen. Mensen die ik nooit heb gezien, leven, voelen en scheppen nog steeds, hun angsten en verlangens leven via mij voort. Mijn gezicht is precies het gelaat van mijn grootvader van moeders kant, mijn handen dank ik aan vaders familie en zijn temperament heb ik van een van moeders verwanten ontvangen. Op bepaalde momenten, bijvoorbeeld wanneer iemand me beledigt of wanneer ik snel moet beslissen, denk en zeg ik waarschijnlijk woordelijk wat mijn grootvader zeventig jaar geleden in zijn molen in Moravië placht te denken en te zeggen.

Sándor Márai, Bekentenissen van een burger. Amsterdam, Wereldbibliotheek, p. 78.

De laatste dagen

Een blauwe schotel bleef, met enkle vruchten,
vannacht in het prieel op tafel staan,
en daarop schijnt, door winde en wilde wingerd,
een laatste straal van de verdoofde maan.

Geen wind beweegt de donkre notelaren,
rond zonnebloem en volle dahlia
gonst geen insekt: ‘t is de volmaakte vrede
die eeuwig lijkt, als kwam niets daarna.

O laatste, warme dagen van september,
de weemoed van uw licht gloeit ook in mij,
ik laat, als gij, mij met een glimlach glijden
naar dood en vrede, beiden zo nabij.

Jan Van Nijlen (1884-1965)

Neiges d’antan

augustus 28, 2009

Vandaag zat in m’n mailbox – dankzij het onvolprezen project Laurens Jz. Coster – een gedicht van één van m’n lievelingsdichters over nostalgie: een winnende combinatie.

Vanavond, ‘k ging een brief doen op de post,
zag ik een bordje met ‘Garage Kern’.
‘Is die er ook nog?’ dacht ik — en meteen
liep ‘k weer door Havenstraat en Rozenhof,
zeventien jaar, schuw, schutterig en smoorlijk
verliefd op een garagehoudersdochter.
Ze was zo rank, zo slank, keek zo serieus,
en had dan plotseling haast iets tijgerachtigs.
Soms mocht ik met haar praten. Ze las Adler
(en dat was iets bijzonders in die tijd).
Toch durfde ik haar niet te vragen of
ze een keertje met me uitging. Ik was bang
voor ‘t vonken van haar ogen. God, wat zou er
toch zijn geworden van Vera de Koff?

C. Buddingh’ (1918-1985), uit: De eerste zestig (1978)

Verneukt (2)

april 30, 2009

elsschot

 

Verneukt. Gisteren stond het in een artikeltje van De Standaard waarin een Nederlandse journaliste het had over Beaufort aan de kust – en passant maakte ze haar misprijzen bekend voor onze ruimtelijke ordening. Verneukt, dus. De meest bekende zin met dat woord is ongetwijfeld de volgende: 

Ik word op ‘t oogenblik van uit Gent verneukt door een kerel, die Korthals heet en die ‘t lijk van mijn schoonzuster in zijn bezit heeft.

Heerlijke zin. Werd ooit zelfs verkozen, meen ik, tot beste Nederlandstalige zin ooit. Hij komt, natuurlijk, uit Lijmen van Willem Elsschot.

Verneukt

april 29, 2009

kustlijn1

NRC-kunstcritica Janneke Wesseling vindt onze kust een ‘doodse aaneenschakeling van lelijke flats op een al even lelijke boulevard met plastic speeltoestellen en friettenten’. Soms moet je het weer eens van een buitenstaander horen om te beseffen hoe verschrikkelijk we onze kuststrook verneukt hebben, merkt Peter Vantyghem vandaag op in De Standaard. I could not agree more.

Levensles

maart 13, 2009

The Meaning of Life

There is a moment just before
a dog vomits when its stomach
heaves dry, pumping what’s deep
inside the belly to the mouth.
If you are fast you can grab
her by the collar and shove her
out the door, avoid the slimy bile,
hunks of half chewed food
from landing on the floor.
You must be quick, decisive,
controlled, and if you miss
the cue and the dog erupts
en route, you must forgive
her quickly and give yourself
to scrubbing up the mess.

Most of what I have learned
in life leads back to this.

Nancy Fitzgerald, Poems I Never Wrote.

Boontje

februari 24, 2009

In 1967 bestonden er nog geen blogs. Misschien bestond het internet zelfs nog niet eens, ook niet die supergeheime militaire toepassing waaruit het internet van vandaag is ontstaan. Maar in 1967 bestonden er wel al dagboeken. En kranten. Het is in de krant van 24 februari 1967 – in zijn fameuze boontje in de krant Vooruit – dat Louis Paul Boon schrijft over dagboeken. Wat zijn dagboeken anders dan de voorlopers van de huidige blogs? Op maandag 20 februari was hij in zijn dagelijkse stukjes beginnen schrijven over het dagboek van een vader van een vriend van hem. Die vader had de eerste dagen van de Eerste Wereldoorlog beschreven. Op 24 februari brengt hij uit dat dagboek een laatste fragment. En dan komt het:

 

Ik hoop dat ook u de lust zal overvallen, aan een dagboek te beginnen – ook al zijn er momenteel geen pinhelmers in de buurt, die voor wat afwisseling zorgen – maar zelfs al kunt ge maar noteren dat uw vrouw vandaag weer erwten en worteltjes heeft gereedgemaakt, het zal voor uw nakomelingen een schat aan wetenswaardigheden bevatten. – Hee! zullen die zeggen… Vader beschrijft hier nog hoe onze Emiel ter wereld is gekomen!


K. Schippers (1)

februari 19, 2009

Zonet kocht ik in De Slegte Een leeuwerik boven een weiland van K. Schippers. Ik zag het liggen en kocht het meteen (4,99 euro). Het boek wierp mij direct terug in de tijd. Toen ik kotstudent was in Leuven, kreeg ik elke week 500 frank. Met dat bedrag moest ik de week in Leuven doorkomen (en ook mijn wekelijkse weekendtreinrit naar huis betalen). Dat lukte. Ik slaagde er zelfs in om geld opzij te leggen (in een lade – waar het eens een keer werd gestolen door een medestudent). Met dat geld kocht ik dan boeken bij De Slegte of andere tweedehandszaken in Leuven. Ik ontdekte zo de poëzie van de Barbarber-groep. K. Schippers behoorde tot die groep. Zijn werk zou ik een soort van diepzinnige luchtigheid noemen: ogenschijnlijk simpele, speelse en zelfs kinderlijke teksten die doen nadenken over de werkelijkheid. Neem nu dit:

Tekst over andere tekst gewaaid

De plaats die dit pepermuntje
in mijn hoofd inneemt

Was die blank gebleven,
als ik het nooit had gezien?

Hinkelbanen

februari 11, 2009

Vandaag gelezen in de overlijdensadvertentie van de mij onbekende Mick De Man (1925-2009):

Zachtneuriënd langs de
hinkelbanen van de tijd
loopt huppelend als
een argeloos kind
ons onbedachtzaam leven,

maar het kleed van elk geluk
is met voorlopigheid geweven,
en van ons hart
de diepste kern
heet wankelmoedigheid. (m.d.m.)