Lentefeest
april 27, 2009
Van mijn eerste communie herinner ik me niet veel meer. Ook niet van m’n plechtige communie. Al weet ik dat ik bij die laatste gebeurtenis van onderpastoor De Witte niet mocht meezingen – en ook eens buiten ben gezet bij een van de voorbereidende lessen – iets waar ik overigens behoorlijk van onder de indruk was want ik was een brave leerling. Onderpastoor De Witte lag me niet zo. Ik had het meer voor onderpastoor Hebbelinck. Die schreef gedichten. En publiceerde ze nog ook. Ik heb nog altijd een bundeltje van hem liggen. We schrijven de jaren zeventig. Het was volop hippieperiode, en onderpastoor Hebbelinck voelde zich als een vis in het water. Maar de pastoor had het niet begrepen op die gedichten. En onderpastoor Hebbelinck verdween. Dus was het De Witte die de voorbereiding moest doen van de eerste en de plechtige communicanten. Dat was nodig om ons goed voor te bereiden op de Grote Dag. Dat was het toch wel, zo’n communie: een Grote Dag. De bisschop zelf kwam dan naar ons dorp om ons te vormen. De meisjes moesten allemaal een wit habijt dragen. Wij moesten een kostuumpje aandoen – met strik. Onze vaders droegen een kostuum. En na de plechtigheid was het feest. Moeder maakte een feestmaaltijd klaar. En van m’n peter kreeg ik een echte horloge. Niets van dat alles was er zaterdag bij het lentefeest van m’n neefje. Het vond plaats in de gymzaal van een school waar een podium was gemaakt. Centraal hing de vlag van de vrijzinnigheid. Ouders droegen geen kostuums of mooie pakken. Een clown trad op en dan volgde het officiële gedeelte waarbij de lentefeestelingen een handdoek kregen met hun naam en een paar poppen. Nadien volgde een receptie. De kinderen speelden buiten. Om vijf uur kregen ze een ijsje en werden er balonnen opgelaten. Dat was het. Triestig vind ik dat, een gelaïciseerde samenleving waar Grote Momenten verdwijnen en alles heel erg vlak wordt. Is dat het dan, de eenentwintigste eeuw, het toppunt van beschaving? Is het dat maar?